Datum
13 december 2017

'Agrariër zijn is niet alleen nemen, maar ook geven!'

Als medewerker van InnovatieVeenkolonien ben ik erg nieuwsgierig hoe de theorie, zoals regelgeving en wetten, in de praktijk worden gebruikt. Maar ook hoe een boer in z’n algemeenheid de dialoog aangaat met zijn omgeving. Dit zowel met gelijkgezinden als met de ‘gewone’ burger. Om me hiervan een beeld te vormen ga ik de aankomende periode zelf akkerbouwers uitvragen hoe zij dit doen. In deze nieuwsbrief het tweede interview van de serie, André Trip in Nieuw-Buinen, een akkerbouwer met een groot sociaal hart.
 


Bouwplan
Ik ken André al een tijdje, we woonden in hetzelfde dorp. Samen met een vriendin hebben wij ons trekker rijbewijs op zijn erf gehaald. André herinnert zich nog dat ik niet de aller slechtste chauffeur was, een leuk onderwerp om een gesprek mee te beginnen. Het gesprek rolt dan ook vrolijk en ontspannen verder van digitalisering naar de vergroeningsplicht en van de groene, winterse akkers naar de dialoog met zijn omgeving. André woont samen met zijn vrouw en kinderen op een compleet verbouwde boerderij met 60 ha akkerbouwgrond. Hij is vroeg begonnen met boeren, hij was 15 en men vond dat destijds onmogelijk om dan al te beginnen. Gelukkig is de rode draad in zijn verhaal ‘hoezo kan niet, ik zal het ze laten zien’ met als resultaat dat ie nu al 21 jaar het agrarische vak met goede resultaten beoefent.  Het bouwplan omvat zetmeelaardappels, TBM-pootgoed, suikerbieten, wintertarwe en zomergerst. Naast zijn akkerbouwwerkzaamheden voert hij ook loonwerk (gewasbescherming) uit voor twee boeren in de omgeving.

 

Nemen en geven
De groenbemesting maakt al jaren, al vóór de eis, deel uit van het teeltplan, dat hij samen met zijn teeltadviseur opstelt. André legt uit: ‘De verplichting om groenbemesters in te zetten heeft geen verandering op mijn bedrijfsvoering gehad, ik deed het immers altijd al. Na de graanstoppel, huppakee, groenbemesters d’r in. Jarenlang heb ik ook compost gebruikt, maar organisatorisch is dit gedoe. Daarom de groenbemesters, daar heb ik een beter gevoel bij. Meestal zaai ik bladrammenas en Japanse haver. In samenwerking met Agrifirm probeer ik de juiste combinatie voor mijn grond te maken, op de ene kavel in het verleden Japanse haver en op een andere bladrammenas. Ik kom ruimschoots aan de 5% regel, maar daar maak ik me ook niet druk over. Soms zit ik zelfs op 10 of 15%, ik wil gewoon het beste voor mijn grond. ’t Is niet alleen nemen, maar ook geven.’

 

Natuurlijke balans
Uiteraard heeft de regelgeving ook zijn nadelen, maar André ziet dit niet als zodanig. Maar hij geeft toe dat hij in een makkelijkere positie zit; zijn grond (zand- en dalgrond) heeft groenbemesters nodig. De organische stoffen zorgen voor een goede opbrengst, niet alleen dit jaar, maar ook in de jaren erna. Hij kan zich goed voorstellen dat boeren met veengrond de vergroeningsplicht als een last beschouwen, de grond bevat al veel organische stoffen. André streeft ernaar om de opbrengsten te verhogen met een natuurlijke balans, dit komt tot uiting in de gehele bedrijfsvoering. Als voorbeeld vertelt André over gewasbeschermingsmiddelen die de natuurlijke balans intact houden; de insecten die geen natuurlijke vijand hebben, bijvoorbeeld de Coloradokever, worden bestreden. De lieveheersbeestjes daarentegen blijven in leven om de luizen te bestrijden. Een ander mooi bijkomende balans van groenbemesters is dat het een perfecte schuilplaats biedt voor fazanten, hazen en ander klein wild. ‘En da’s weer mooi voor de omgeving!’

 

Van mijn eiland
Het tweede deel van mijn nieuwsgierigheid bestaat uit de vraag hoe André met zijn omgeving de dialoog aangaat. Ook dit is de rode draad in zijn dagelijkse leven: ‘Ik ben vrijwilliger op de basisschool hier in het dorp en daar tref ik heel veel verschillende mensen. Het leuke daarvan is dat ik mezelf als persoon en als boer blijf ontwikkelen door met hen in gesprek te gaan. Zo blijf ik niet vast op mijn ‘eilandje’, maar wordt mijn wereld groter! Ik ben naast boer ook gewoon mens die geïnteresseerd is in andere mensen en de wereld daar om heen. Door met personen in gesprek te gaan die niet standaard in je netwerk zitten, word je soms op ideeën gebracht waar je zelf niet aan gedacht had. En dat maakt de gesprekken waardevol als mens en als boer.’

 

Open houding
De samenleving heeft nog wel eens een vooroordeel van de boer namelijk ‘het stereotype nurkse en teruggetrokken man’. Nou, daar is bij André niets van te merken! Door zijn open houding gaat hij gemakkelijk met mensen in gesprek. Zoals bijvoorbeeld bij school, een gesprek met de ‘hoofdjuf’ ruimt dan ook gelijk alle vooroordelen uit de weg die bij beiden leven: ‘Goh, is dat nou leuk 6 weken vakantie in de zomer?’ versus ‘In de wintermaanden heb je het vast hartstikke rustig en zit je lekker met je benen omhoog!’. Wat volgt is een leerzaam gesprek voor beiden op basis van wederzijds respect en interesse. André: ‘Op school worden allerlei vragen gesteld, zonder enige terughoudendheid. Het is net alsof er dan geen drempel meer is, een soort van neutraal terrein. Hierdoor kun je dingen uitleggen en kan de beeldvorming van je gesprekspartners veranderen ten opzichte van de boer. Het heeft ook te maken met een stukje goodwill kweken, boer-zijn doe je met je omgeving. Als ik ga spuiten dan informeer ik mijn buren, zodat zij daar rekening mee kunnen houden. Daarbij wil ik ook graag mijn bedrijf laten zien aan de kinderen in het dorp, daar begint de waardering voor ons beroep eigenlijk al. Kleuters mogen komen kijken bij de suikerbieten, ze mogen een stukje proeven, op de trekker zitten, foto’s maken, etc. Niets is mij te gek. En daarbij is het ook nog eens hartstikke gezellig!’.

 

Toekomst
Als ik aan het einde van het gesprek samenvat wat André allemaal heeft verteld dan valt het op dat de liefde voor het vak en zijn grote sociale hart een perfecte combinatie zijn voor zijn bedrijfsvoering en leven. Het land zorgt goed voor hem en zijn gezin, hij zorgt goed voor zijn land en hij zorgt er voor dat de akkers mooi groen blijven, ook in de winter. En daar heeft het dorp weer wat aan. Met deze instelling is het zeker mogelijk dat over een tiental jaren zijn zoon ook nog voldoende opbrengsten van de akkers haalt voor zíjn gezin.

 

Hoe mooi is dat?

Door: 
​Marjan van Delden 
& Rieke Grooten