Regelbare drainage Veenkoloniën

Binnen het praktijknetwerk wordt de meerwaarde van een peilgestuurd drainagesysteem aangetoond voor de teelt van akkerbouwgewassen. Tevens worden concrete handvatten ontwikkeld welke instellingen van het drainagesysteem leidt tot optimale gewasontwikkeling (bijv. relatie vochtbalans en ingesteld peil).


Zoekwoorden: Regelbare drainage, veenoxidatie, 

Eindrapportage Regelbare drainage Achterste Diep

In het stroomgebied van de Hunze vindt akkerbouw plaats in de relatief laaggelegen beekdalen met veenbodems en kwel. Door de ontwatering die nodig is om deze percelen geschikt te maken voor akkerbouw oxideert het veen in de bodem. De veenafbraak zorgt voor bodemdaling en voor het uitspoelen van nutriënten naar het oppervlaktewater. De lage gewenste grondwaterstanden ten behoeve van akkerbouw zijn waterhuishoudkundig ook moeilijk te combineren met de hoge gewenste grondwaterstanden in de natuurlijke graslanden langs de beek. Regelbare drainage is door Waterschap Hunze en Aa’s aangemerkt als een mogelijke oplossing om de grondwaterstanden op akkerbouwpercelen te verhogen en veenafbraak tegen te gaan zonder natschade aan het gewas te veroorzaken. Regelbare drainage biedt door het introduceren van een instelbaar overlooppeil aan het eind van drains of in de sloot de mogelijkheid om de waterafvoer tijdelijk te verminderen en de grondwaterstanden te verhogen. Om de effecten van regelbare drainage te onderzoek is in 2013-2015 een pilot uitgevoerd bij Exloo op een akker (afwisselend bieten, aardappelen, graan) in het beekdal van het Achterste diep, één van de bovenlopen van de Hunze. In 2013 is in het voorheen niet gedraineerde proefperceel drainage aangelegd op 90 cm diep en met een drainafstand van 7 meter. Voor een optimale ontwatering zijn de drainagesleuven opgevuld met zand. In de sloot waarop het proefperceel afwatert zijn 3 handmatig verstelbare stuwen geplaatst. 2013 was het referentiejaar waarin de stuwen nog niet zijn gebruikt. In 2014 is het overloopniveau van de stuwen alleen in de zomerperiode verhoogd. In 2015 is het overloopniveau zowel in een deel van de zomer als in een deel van de winter verhoogd. Van 2013 tot 2015 zijn de grondwaterstanden en de waterkwaliteit gemeten.

Uit de metingen blijkt dat de hoge grondwaterstanden door de aanleg van drainage gemiddeld met ongeveer 20 centimeter zijn gedaald. In natte periodes stonden de grondwaterstanden in het proefperceel regelmatig binnen de 50 cm onder maaiveld, ondanks de kleine drainafstand. Dit werd waarschijnlijk veroorzaakt door een hoge intree-weerstand van de drains en de bodem eromheen. Om gewasschade te voorkomen kon het overloopniveau van de stuwen maar zeer beperkt (tot 15 maximaal cm) worden opgezet. Door de voortdurende aanvoer van kwel was er in de zomer voldoende water om de sloot tot boven het stuwniveau op te vullen. Het verhoogde oppervlaktewaterpeil heeft ook voor hogere grondwaterstanden gezorgd in een deel van het perceel. Vooral in extreem droge perioden kan regelbare drainage op deze manier veenafbraak verminderen. Het opzetten van het overloopniveau kon echter niet voorkomen dat de grondwaterstanden in de hogere delen van het perceel tot onder het drainniveau zijn gezakt. De waterkwaliteitsmetingen lieten al in het referentiejaar 2013 een groot verschil zien tussen het proefperceel en het referentieperceel. Vooral de fosforconcentraties waren opvallend hoog (tot 40x boven de norm). De hogere nutriëntenconcentraties in het proefperceel worden waarschijnlijk veroorzaakt door de afbraak van veen. Mogelijk is dit gerelateerd aan het mengwoelen van het proefperceel in 2009 waarbij de structuur van het veen verloren is gegaan. Daarnaast kan de aanleg van drainage de veenafbraak versnellen. De mogelijke vermindering van de nutriëntenuitspoeling door regelbare drainage (met zeer beperktepeilopzet) valt in het niet bij de door veenafbraak verhoogde nutriëntenconcentraties. Uit de pilot in het Achterste diep concluderen we dat regelbare drainage geen uitkomst biedt voor de lage grondwaterstanden en de veenafbraak door de akkerbouw in het beekdal. Door een hoge intree-weerstand kunnen de drains (ondanks de voor veen diepe ligging en de kleine drainafstand) niet voorkomen dat de grondwaterstand regelmatig boven de 50 cm onder maaiveld komt. Door een flinke bui kan de grondwaterstand ook in het groeiseizoen flink stijgen en het duurt circa 1 week voor de grondwaterstand weer gezakt is. Om gewasschade te voorkomen moet in het grondwaterstandsbeheer rekening worden gehouden met een veiligheidsmarge om ook gedurende droge perioden een bui te kunnen opvangen. Er is daarom gestuurd op een grondwaterstand van 70 - 80 cm onder maaiveld. Het overlooppeil van de stuwen is dan ook maar zeer beperkt opgezet (maximaal 15 cm boven drainniveau in 2014 en maximaal 30 cm in 2015). Het effect op de grondwaterstanden, de veenafbraak en de waterkwaliteit is daardoor ook beperkt. Het verdient de aanbeveling om het landgebruik op veenbodems in de beekdalen aan te passen aan de gewenste hogere grondwaterstanden.

 

Auteur:

Joachim Rozemeijer

Sheila Ball

 

Opdrachtgever:

Waterschap Hunze en Aa`s